21921
blog,stockholm-core-1.2.1,select-child-theme-ver-1.0.0,select-theme-ver-5.2.1,ajax_fade,page_not_loaded,wpb-js-composer js-comp-ver-6.2.0,vc_responsive

KNOCKED DOWN

Hartepijn is niet te doen. Gewoon niet. Het schreeuwt je lijf uit. Het mijne wel althans bij de aanblik van de generatie van mijn ouders. Die God Zij Dank elkaar nog hebben. En hun eigen onderkomen. De mijne dan wel te verstaan. Thank you Universe. Ze hebben er samen hard voor geknokt.

Het schreeuwt mijn lijf uit om diegenen op leeftijd die zich opgesloten -dat is pas locked of beter knocked down- weten achter de definite doors van de verpleeghuizen. Until the end is there. Onherroepelijk. Iets wat zogenaamde Corona-maatregelen wél zijn. Herroepelijk. Waarmee ik niets zeg over de niet aflatende toewijding, inzet en eindeloze liefde van hun verzorgers in deze, die dag en nacht voor onze ouders klaarstaan. Zelf nota bene vaak besmet door de verkeerde mondkapjes, wees recent onderzoek althans uit. Onderzoek … tja, best relatief.

Die relativiteit is precies waar het over gaat. Want wat zegt ‘onderzoek’ als het leven zelf één grote ervaring is. Onze paps en mams van wie de meesten de Tweede Wereldoorlog bewust dan wel onbewust hebben meegemaakt. Kauwend op bloembollen of iets wat daar op lijkt -de big bubbels van Bubblelicious anno nu zijn er niets bij-, angstig aan mama’s hand de trein in of bij een beetje bewustzijn de ‘verkeerde kant’ kiezend. Vertrouwend op hún pap en mam.

Weet jij wat je zou doen? Een jaar of vier, vijf oud? Aan de hand mee. Niets daartussen. Blindelings vertrouwen. Alles om te overleven, intussen overgeleverd aan een geheel nieuw systeem. Een systeem dat appeleert aan angst. Down under. Het maaiveld vooral. Want oh wee wie zijn kop er boven uitsteekt. Malen die kop. Tot splinters.

En splinters gaan etteren. Na een dag of twee komt er zo’n rood randje omheen. Je huid gaat reageren. En irriteren. De huid van onze paps en mams krimpt, voldaan of teniet gedaan. Zeg het maar. Een huid die heeft ge- en doorleefd. En nu, als je bent overgeleverd aan ‘het nieuwe normaal’, zwaar reageert en over-irriteert.

Want onze huid neemt alles op. Het is ons grootste ademend orgaan en absorbeert daardoor elke prikkel. Niet te doen als je je daar niet voor afschermt. Ik smeer elke ochtend na mijn douchegang mijn huid in met bodylotion. Deze laag beschermt me tegen invloeden van alles buiten mij. Weert deze invloeden. Of het helpt weet ik niet, zo voelt het wel. Ik hoop het ook, wellicht tegen beter weten in. Smeren of lappen of incasseren is relatief modern en is niet iets wat onze ouders of ouderen werd meegegeven. Je deed dat gewoon. Incasseren, meebewegen.

Gewoon. What the fuck. Voor mij is het verre van gewoon en niet te verteren dat een 80-jarige ‘pap’ -dat laat ik even in het midden- zichzelf nu uithongert uit emotie -minus 20 kilo- omdat hij niemand in zijn ‘veilige thuis’ buitenshuis meer mag zien dan wel knuffelen. Deze man lijdt. Eten is bijzaak dan wel noodzaak. Van bubblegum heeft de beste man misschien niet eens gehoord. Herkauwen was er immers in zijn tijd niet bij. Eten is in elk geval iets wat hij even totaal niet meer ziet zitten. Want deze pap mist zijn kinderen. Zijn dierbaren, de enige wezens die hem doen beseffen dat het leven nog best de moeite waard is. En hij snapt er niets van waarom ze ineens niet meer komen.

Enig idee wat lichamelijke onthouding, opsluiting, doet met een mens? Knuffelen, omarmen dan wel te verstaan. Affectie. Daar kan geen eten tegenop. Geen koffie ook. Zo las ik dat een senior in zo’n ‘thuis’ zelfs geen eigen kopje koffie op zijn kamer meer mag zetten. Dat zou ineens wel eens brandgevaarlijk kunnen zijn. Het zou het Douwe Egberts-gevoel wel doen ontbranden tot thuiskomen. Want dat is waar een bakkie koffie vooral over gaat. Thuiskomen.

Van dat gevoel is weinig over. We zijn bijna vervreemd van onszelf anno 2020. Mijn koffie koester ik heilig. Al is het maar omdat ik mezelf een paar weken geleden een super overheerlijk Nespresso-apparaat cadeau heb gedaan. Kost het nodige -is dan ook een goed tweedehandsje- maar dan heb je ook wat. Mijn heilige ochtendbakkie neemt niemand me meer af.

Koffie of niet. De ontwikkelingen zijn bizar en ik verslik me liever in mijn koffie dan mijn paps en mams en al mijn geliefden niet te hebben ‘dood geknuffeld’. Dan maar met Cor en Ona ten onder. Met of zonder koffie, maar wel sámen. Want dat is immers het nieuwe nu …

ZUURSTOFKAPJE

Happen naar adem. Daar begint het steeds meer op te lijken. Vandaag besloot ik om aan mijn dagelijkse dosis zuurstof -buitenlucht- te komen en mijn afvalstoffen een gezonde weg naar buiten te gunnen, weer eens te gaan wandelen in één van de prachtige nog redelijk ongerepte natuurgebieden bij mij in de buurt. Redelijk ongerept vanwege wegschietende hazen pal voor mijn voeten bij daglicht, wilde ganzen met kroost dat alarmerend op de vlucht slaat bij het naderen van mijn twee stelten en wapperende haren, een vogel die zenuwachtig flapperend boven mijn hoofd blijft hangen opdat ik haar nest vooral geen kwaad doe. Ultieme vrijheid dus. Het raakt me, al die alarmbellen die afgaan zodra ik me in hun territorium begeef. En ik voel diep respect, spreek hen rustig toe geen vrees van me te hoeven hebben. Het enige wat ik wil, is genieten van hen in al hun puurheid. Op ‘gepaste afstand’. En dat is vele malen meer dan 1,5 meter. Omdat ik hen laat in wie ze zijn en hen geen enkel kwaad wil doen. Verre van.

Dat kwaad is wel een dingetje. Net als dat territorium. Mijn territorium. Ik voel me een soort sluimerend aanwezig kwaad berokkend bij het idee dat ik me elk moment tot ‘de goede orde’ geroepen weet door een boswachter, boa of misschien zelfs wel politieagent -you never know op ‘t platteland, tijdsbesteding is hier relatief- verhuld in camouflage kleding. En die dan natuurlijk zomaar opeens uit de bosjes tevoorschijn springt. Op heterdaad betrapt. Geen ontkomen meer aan. Volledig vout met een dikke F.

Zo voelt het wel. Alsof we misdadigers in onze eigen privé ruimte zijn. Want waar gaat het nog over? Zodra ik mijn voet buiten de deur zet, ben ik eigenlijk al in een soort van overtreding. Waarvoor weet ik nog niet, maar we verzinnen wel wat. Wellicht omdat ik gewoon dooradem?

En dat terwijl ik als ieder normaal gezond mens gewoon lucht wil happen. Lucht, één van de vier basis elementen om normaal -haha, ja …- te kunnen blijven functioneren. Zonder kapje, waar of met wie dan ook. Met respect voor ieders persoonlijke ruimte. En dat is voor mij sowieso heel normaal.

Ruimte. Zo kan ik de uiteenzetting van Maurice de Hond -Man bijt Hond- enorm waarderen. Zijn conclusie na gedegen onderzoek: zodra we ons begeven in een massa mensen in een relatief afgesloten ruimte is de kans op welk virus of bacterie dan ook, vrijwel onontkoombaar. Logisch, er is geen frisse lucht. Mensen in vluchtelingenkampen hebben nergens hinder van, geen virus of wat dan ook, concludeert De Hond. Simpelweg omdat zij geen gesloten deuren en ramen om zich heen hebben. Wél frisse lucht. Dat roept bij mij de ervaring van een aantal jaren geleden op. Een benefietavond in een afgesloten ruimte zonder ventilatie met honderden mensen. Nu ben ik nooit ziek, de dag erna des te meer sinds jaren.

Dus … ventileer. In de ruimste zin des woords. Roep, juich, aanbid, vertel en schreeuw. Als het maar tot zuurstof leidt. Opdat het geen lijden met een lange ij en een zuurstofkapje op wordt …

VRIJHEID

Het wordt steeds gekker. Een 1,5 meter coach … weer iets wat mijn begrip te boven gaat en mijn onderbuik meer dan in de afgelopen ‘angstige’ afweerperiode flink tekeer doet gaan. Angst. Iets waar ik totaal geen last van had. Ik vond en vind het juist wel lekker rustig zo. En wat gebeurt, gebeurt. Hoe dan ook.

Sinds vandaag is er sprake van zo’n heuse 1,5 meter coach in ons land. En Nunspeet mag het spits afbijten. Ik weet niet of ik deze gemeente mijn succes of offensief moet betuigen. En dat uitgerekend ook nog eens aangekondigd op de dag van de Dodenherdenking. Een dag om bij vele malen belangrijker zaken stil te staan. Serieus bij stil te staan. En niet op 1,5 meter afstand, laat staan met een coach aan deze zijde. Ik verdom het. Zij aan zij vochten zij die ons land naar de bevrijding hielpen. Bevrijding. En echt niet op 1,5 meter afstand. Alsof daar ook maar enig besef over was in een tijd van echte bacterieën. En daar heb ik de gevoelige snaar exact beet.

Vrijheid. Als kind al was ik vrijgevochten en kleurde ik, voor zover dat mocht en toegestaan werd in een tijd waarin grenzen nog best normaal waren, liefst buiten de lijntjes. Ondersteboven slingerend in opvallende onderbroek aan het klimrek bij de kleuterschool -ik was een jaar of vier, misschien net vijf- maande de juf me ogenblikkelijk van dat rek te komen. Hoe durfde ik zo heen en weer te slingeren, mijn jurk tot over mijn oren en mijn onderbroek zichtbaar voor alle kinderen. Ik was oprecht verbaasd, verbouwereerd eerder. Juist die vrijheid ervaren was zalig. En wat kon mij die blik op mijn onderbroek nou schelen. Liefst had ik helemaal geen kleren aan. En zeker niet van die zelfgemaakte crea bea soepjurken die ik als kind toentertijd veelvuldig aangemeten kreeg. Want dat was toen in de mode.

Net zoals vrijheidsberoving nu ook weer ‘in de mode’ is. Op zijn zachtst gezegd. Want laten we wel wezen: dat is toch wezenlijk het meest hardnekkige virus dat sinds een aantal maanden over onze wereldbol waaiert. Niks corona. Want waar zijn de andere ziekten en kwalen van de tand des tijds ineens gebleven, gebaseerd op de echte real data?
 
Cor had eens een Ona, zegt mijn fantasie. Iets met een jongetje en een beestje dat hij lief heeft ofzo. Een ontzettend lieve Ona. Ona of O-no … we zijn ons ver van onze werkelijkheid aan het wanen in de beperking van onze vrijheid. En daar moet hulp aan te pas komen. Blijkbaar. Ooit van 1,5 meter afstand met hulp van een coach liggend zij aan zij tot aan het bittere eind in de loopgraven gehoord? Maten naast je zien sneuvelen? Op het strand van Normandië, de Slag om Pearl Harbour, Afghanistan, Irak, in de trein op weg naar … bizar. Ik heb er geen woorden voor. Simpelweg omdat het mijn pet te boven gaat.

Treinen mogen we trouwens ook nauwelijks meer. Toen moest het … wat te denken van Cor en zijn Ona toen met de bacterietjes die Ona bij zich droeg door liefhebbend knuffelen en kroelen. Doordrenkt van liefdesspeeksel en zoute tranen. Van al dat kwijlen van intens en heel diep kinderverdriet. Niet wetend waarom de vrijheid tot spelen ineens was beroofd. Beroofd ja. En ver van thuis.
 
Bacteriën, virussen zijn van alle tijden. Net als ziektes en epidemieën, pandemieën. En nu ineens moeten we dat trainen, managen, coachen … ik word er misselijk van.
Hoe erg moet dat 75 jaar geleden zijn geweest, vechtend voor de vrijheid van ons allemaal. En die vrijheid gaan we nu verbieden door ons te laten trainen en coachen in en op 1,5 meter afstand. Are we gone mad? Ik neig in elk geval nog steeds erg veel naar dat klimrek-gevoel … met heel veel Ona’s, openbare onderbroeken en met een ‘Cor’ in mijn zeer naaste dichtbij bijzijn.

TAALERGERNIS

Taalergernis. Daar hebben we een punt te pakken. De eenduidigheid binnen onze Nederlandse taal is ver te zoeken. Verbasteringen als ‘me’ in plaats van ‘mijn’ zijn eerder regel dan uitzondering. Een doorn in het oog. Wat te denken van kromme vervoegingen als ‘ik doet nog even een wandelingetje’? Onjuist gebruik van d’s en t’s van ‘hen’ of ‘hun’ nog buiten beschouwing gelaten.
 
Helemaal vreemd is het niet dat we zijn afgedwaald van onze wortels. De ontwikkeling van het Nederlands is er één voortkomend uit een samensmelting van vele varianten. Zo is het Nederlands een Indo-Europese, Germaanse taal die vooral in Nederland, Vlaanderen en Suriname wordt gesproken. Onze taal is nauw verwant met de andere West-Germaanse talen: Engels, Fries, Duits, Nederduits, Letzeburgs en de dochtertaal Afrikaans. Tel daarbij onnoemelijk veel dialecten op en de logica is zoek. Niet verwonderlijk dat taalkundige capriolen aan de orde van de dag zijn.
 
Ernstiger wordt het wanneer tijdens de aftrap van De Week van het Nederlands -die nog tot en met 15 oktober duurt- zelfs Kevin de Coninck, algemeen secretaris ad interim van de Nederlandse Taalunie, niet kan uitleggen dat goed Nederlands moeilijk is te definiëren en dat hij er als West-Vlaming onder gebukt gaat dat hij problemen heeft met de ‘g’ en de ‘h’. Aldus vertelde hij tijdens een interview daags voorafgaand aan De Week in het Radio 1-programma De Ochtend. Opmerkelijk is dat bij een blik op de website van de Taalunie in één summiere zin het doel van De Week van het Nederlands staat omschreven: het belang van het Nederlands onder de aandacht brengen. De waarde van onze moerstaal in slechts luttele woorden. Punt. Komma …?
 
Treffend in deze is de keuze van ‘s Weeks motto: ‘grootste taalergernissen’. “Kennen en kunnen, de Gooise ‘r’: stuk voor stuk kwesties die dertig jaar geleden óók al genoemd werden.” Beetje flauw van onze Belg. Zijn taalprobleem is ver te zoeken. Hij zegt gewoon hout in plaats van het standaard Nederlandse goud en ’out in plaats van hout. Overigens is hij hier niet de enige in. De Zeeuwen lusten er ook pap van, hoewel het Zeeuws geen officieel dialect -meer- is.
 
En passant afrekenen met de meest gemaakte taalfouten kan ‘niet boeien’. Slechts een signalering van die taalfouten. Zo noemden luisteraars van het Radio 1-programma ‘me broer’, ‘jou tante’, het door elkaar halen van ‘kennen’ en ‘kunnen’, ‘hun hebben’, ‘zich irriteren aan’, de Gooise ‘r’ en dat was het dan. Het waren ‘kwestietjes die dertig jaar geleden óók al genoemd werden’. Niets nieuws onder de zon. Varianten die in de afgelopen decennia niet verdwenen zijn en geen millimeter aan terrein hebben gewonnen.